Eddy De Smedt: één van de drijvende krachten binnen het Vlaamse topsportbeleid

Eddy De Smedt. Een man met een loopbaan om “u” tegen te zeggen. 33 jaar actief binnen het BOIC, de laatste 22 jaar als directeur topsport. En één van de drijvende krachten binnen het Vlaams topsportbeleid… En (nieuwtje!) ook de komende jaren zal Eddy blijven bijdragen tot het Vlaamse topsportbeleid. Ondermeer door als voorzitter van de stuurgroep topsport de opmaak van het vijfde Topsportactieplan Vlaanderen te coördineren.


Maar naast de loopbaan, toekomstplannen en functietitels, is Eddy vooral een persoonlijkheid om “u” tegen te zeggen. Ook al wordt hij zelf liever met “je” aangesproken… 

VSF had een gesprek over datgene wat Eddy De Smedt maakt tot de man die het respect van zoveel atleten, coaches, federatiemedewerkers, … krijgt. Een gesprek over waarden, visie en principes. Over nederigheid, mensen en passie. 

De man die voor iedereen goed probeerde te doen, en daar nog in slaagde ook.

Laat ons beginnen in december 2018, de periode van jouw afscheid bij het BOIC. Tientallen atleten bedankten je in de week van jouw afscheid via hun social media. Evi Van Acker schreef op haar Facebookpagina “Gedreven door je passie voor sport ging je steeds voor het hoogst haalbare, steeds met het hart op de juiste plaats. Je was iemand die luisterde om te begrijpen, niet om te antwoorden.”  Wat een compliment.

Dat voelde inderdaad bijzonder aan en ik draag de warme boodschappen bij mijn afscheid dan ook mee in mijn hart. Dat raakt je als mens. Zeker als je voelt dat mensen je aanpak appreciëren. Ik ben altijd graag gegaan voor de échte dialoog. Een dialoog waarbij je luistert. Écht luistert. Connectie met je gesprekspartner maken, is de basis van elk goed gesprek. Als je dan, op jouw beurt, je mening geeft, staat je gesprekspartner ook open voor jouw opinie. In een echt gesprek neem je geen belerende toon aan. Je spreekt niet om je gelijk te halen. Pas dan word je er beiden rijker van. 

En daar draait het om. Het ging nooit om mij, om Eddy De Smedt. Of zo je wil, om de directeur topsport. Het gaat altijd om de atleet. De atleet centraal. Al wordt dat credo soms misbruikt. “Atleet centraal” betekent dat we de atleet doen groeien. Dat we haar of hem moeten koesteren. Koesteren is “geven om” en staat in functie van de atleet. Dat impliceert dat je luistert, ingaat op noden, maar ook grenzen stelt, challenget… Ook op vlak van de zaken die zij of hij niet graag doet. Analyseren wat nodig is om het aanwezige potentieel te ontwikkelen. Yes to needs, no to wants. 

Niet pamperen dus. Niet de comfortzone vergroten, wel de grenzen ervan opzoeken. Bij het “koesteren” gaat het om diegene die gekoesterd wordt, bij “pamperen” draait het meestal om diegene die pampert… 

In één van de afscheidsspeeches werd je omschreven als “de man die voor iedereen goed probeerde te doen, en daar nog in slaagde ook”.

Mijn adagio is altijd geweest: “resultaat- en taakgericht denken en menselijk handelen”.

Die empathische kant kan, volgens mij, enkel werken wanneer je op de juiste momenten een lijn trekt. Je moet kunnen zeggen: “tot hier en niet verder”. Zowel tijdens vergaderingen, als in het algemeen. Ik neem mezelf tot vandaag voor dat ik enkel dingen wil doen waar ik kan achter staan.

Uiteraard werk je voor een organisatie, en drink je soms water naast je wijn (wat mij betreft niet erin, want dan verlies je aan kwaliteit), maar het overgrote merendeel van wat je doet, mag niet tegen je eigen waarden en visie ingaan. Als dat wel het geval is, hou je er beter mee op. Dan mag je niet vasthouden aan een job, een wedde of een titel. Je denken, voelen en functioneren moeten heel dicht bij elkaar liggen. Respect (ook) voor (je eigen) waarden.

En ja, je moet in conflict kunnen gaan, zolang het maar een constructief conflict is, op een menselijke manier. Ik heb in mijn loopbaan uiteraard heel wat moeilijke situaties en conflicten gekend, maar ik kan je verzekeren dat elk conflict op een constructieve en menselijke manier kan aangepakt worden. Bruggen bouwen is lastiger dan ze op te blazen, maar het is wel de inspanning waard.
 

Welke elementen kunnen daartoe bijdragen?

Vaak benadert men conflicten enkel op de “hoe” of “wat”, terwijl men het in de grond wel eens is over het “waarom”. Dat zijn oplosbare conflicten. Ik verwijs naar de Golden Circle van Simon Sinek. Het “waarom” is altijd de kern. Hoe meer een conflict daarentegen over het waarom gaat, hoe moeilijker op te lossen…

Conflicten kunnen complex zijn of lijken. Ook topsport is of lijkt vaak complex. De kunst is om de eenvoud te (blijven) zien. Maar iets eenvoudig houden, is vaak enorm gecompliceerd. Wie eenvoud kan brengen, zonder te vervallen in simplisme (bijvoorbeeld door “one word solutions” of banaliseren), wie dingen begrijpbaar kan maken, behapbaar, kan slagen. Dat is zo belangrijk, binnen de complexiteit van topsport en de complexe structuur van ons land.

Een ander cruciaal element is een holistische benadering. Bekijk een probleem, een werking, een opportuniteit in zijn geheel. Ook al kan een detail het verschil maken.

Wat is er nu? Waar willen we naartoe? Wat zijn droomdoelen en realistische doelen? Wat kunnen mogelijke obstakels zijn? Waar kunnen we uitblinken? Wat is het verschil dat het verschil kan maken? Een detail kan een verschil maken, maar blijft een detail. Indien een detail overbenadrukt wordt, verliest het zijn rol als detail en kan het ook contraproductief werken. Alles kent een plaats in het geheel. En alles staat altijd ten opzichte van en binnen het geheel.

Je plaats kennen binnen dat geheel geldt ook voor coaches, begeleiders, (mensen binnen) instanties. Eén van mijn principes is: “athlete centred, coach driven, science supported”. Support, dus: “in functie van”.

Je inspireerde en motiveerde heel wat mensen. Hoe zorgde je dat je jezelf bleef challengen? 

Door steeds hogere doelen te stellen, door mij lerend op te stellen en door veel in de spiegel te kijken… Zelfreflectie. Durf jezelf te vragen wat je doet, hoe je dingen doet, en vooral: waarom je ze doet. Als begeleider, coach, directeur topsport, … is reflectie onontbeerlijk. Sporters mogen na de wedstrijd onder de douche even alles vergeten, het grote werk van de coach begint vaak na de wedstrijd, of zelfs het tornooi. Voor mij is zelfreflectie essentieel. Zaken noteren. In dialoog gaan, maar vooral: luisteren. Mensen opzoeken. Niet in je eigen gelijk baden. Tonen dat je openstaat voor verschillende meningen. Ik raad dan ook iedereen aan om iemand te zoeken als haar/zijn “spiegel” en klankbord.

Door open te staan voor anderen, leer je elke dag bij.

Wie waren jouw inspiratiebronnen?

Dat zijn er velen geweest. Door open te staan voor anderen, leer je elke dag bij. Er zijn uiteraard een paar charismatische wereldleiders, die op gevaar voor hun eigen leven hun ideaal blijven nastreven en baden in nederigheid. Maar ook dichterbij. Vele coaches en atleten inspireerden me. Door het juiste woord, of juiste gedrag, op het juiste moment. Het is mijn levensvisie dat de dag waarop ik iemand tegenkom waar ik niks van kan leren, ik wellicht een probleem heb. “Humble” zijn, mag en moet. Nederig, maar niet onderdanig. Een wezenlijk verschil.

Ik heb het geluk gehad heel veel interessante personen te leren kennen en er te kunnen naar luisteren en mogen mee samen werken.

Ook in mijn coachende rol, pas ik het feit toe dat je uit elke dag, uit elk moment, iets kan leren. En geef ik mee dat zelfreflectie belangrijk is om het beste uit mensen te halen. Zelfreflectie kun je niet voor, of in de plaats van, iemand anders doen. Je kan hen tools aanreiken. Je kan hen vragen zaken op te schrijven, je kan hen ruimte geven. De beslissende stap moet steeds van henzelf komen…

Daarom is het creëren van betrokkenheid zo belangrijk. 
Tell me, and I’ll forget. Show me and I’ll might remember. Involve me and I will understand.

Een rode draad door je carrière moet “doelstellingen” zijn. 

Ik heb er altijd voor geijverd om doelstellingen zeer duidelijk te stellen. Presteren, een bepaald resultaat behalen, kan een doelstelling zijn. Evengoed kan bijleren, het ontwikkelen van talent of iets nieuws uittesten in functie van latere prestaties, een doelstelling zijn. Het duidelijk formuleren van doelstellingen, en vooral er duidelijk over communiceren, zijn cruciale factoren binnen topsport.

Een belangrijk, en soms onderbelicht, aspect van een doelstelling, is dat de doelstelling “van jezelf ” moet zijn, dus ook van de atleet zelf. De enige die immers zijn doelstelling kan realiseren, is de atleet zelf. Als coach of andere betrokkene kun je met haar/hem overleggen over doelstellingen, een plan, ambities, … Je kan luisteren, connectie maken, challengen, … Maar uiteindelijk is het de atleet die zelf de beslissing neemt voor welke doelstelling hij of zij zich engageert en er de verantwoordelijkheid voor neemt.

En ook daar is de coachende rol van groot belang. Ik hanteerde geen directieve stijl. Een coachende rol opnemen betekent een immense verantwoordelijkheid. Je krijgt de kans om zaken mee uit te werken, samen met, en voor anderen. Mensen helpen ontwikkelen. Dat kan, volgens mij, enkel als je daadwerkelijk om die mensen geeft.

Soms zie je het potentieel, en kun je iemand een klik doen maken om een ambitie waar te maken. Soms lukt dat niet. Dat moet je kunnen aanvaarden. De keuze om haar of zijn talent al dan niet te ontwikkelen, blijft altijd de keuze van de atleet zelf.

Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat je zelf niet altijd de juiste persoon bent om iemand te challengen of te helpen ontwikkelen. Er moet een klik zijn met de “coachee”. En dus moet je af en toe ook kunnen loslaten. En kan iemand anders, bijvoorbeeld een collega, een betere keuze zijn.

Doelstellingen realiseren, betekent taak- en resultaatgericht werken. Maar de uitvoering moet steeds menselijk en integer zijn.  De integriteit van de atleet, in de meest brede zin van het woord, mag nooit in gevaar gebracht worden. In topsport lijkt dat soms een moeilijke balans. Maar ook al zoek je de limieten op, integriteit en respect moeten steeds voorop staan.

Naast de menselijke aspecten en het belang van doelstellingen, sta je gekend om je kritische evaluaties.

Ik gebruik graag het woord “evoluatie”, een samentrekking van evaluatie en evolutie. Ik zag al te vaak evaluaties om de evaluatie. En wat werd er dan verder mee gedaan? Een evaluatie gaat over wat bereikt is of hoe het proces verlopen is/verloopt en moet m.i. gesitueerd worden in functie van wat er nog moet komen, het vervolg, het uiteindelijke doel. En dan moet je niet alleen kritisch terugkijken, maar ook even kritisch vooruitblikken.

Maar we mogen evenmin vergeten om midden dat proces even stil te staan bij succes en er volop van te genieten, om nadien weer aan de slag te gaan. Zo was er de zomer van 2018. Volop genieten van alle mooie resultaten om ze achteraf in perspectief (2020) te plaatsen.

Wie evalueert wat, en op welke manier? Hoe worden de resultaten bekeken in functie van de finaliteit? En vooral: wat zijn de structurele elementen, op vlak van ontwikkeling en begeleiding van talent en het creëren van omstandigheden om te presteren? Hoe behoud en versterk je die? Hoe bouw je hierop verder?

We kennen een aantal voorbeelden waar de structuur goed zit. Ik denk onder meer aan bepaalde ploegsporten en gymnastiek. En laat me duidelijk zijn: ik spreek liever over structurele oplossingen dan over structuren. Maar laat ons ook kijken naar waar er successen geboekt worden buiten de structuren. Wat leren we daaruit? Hoe versterken we dat?

Eén van mijn vaststellingen is dat structurele oplossingen meestal gekoppeld zijn aan mensen. Het is dan ook in elke “evaluatie” cruciaal om te analyseren: welke mensen zijn betrokken? Wie toont leiderschap? Want het zijn altijd de mensen die het verschil maken.

Een groot gevaar bij het evalueren schuilt in het “veralgemenen”. In stellen dat “we (al dan niet) goed bezig” zijn. Wie is goed bezig? Hoe is men bezig? Met wie? Elk succes, elk verlies, elk verhaal is verschillend. Een grondige analyse, en evaluatie, case per case is de basis om juiste keuzes te maken.

Het is zoals het bos en de bomen. Een mooi bos is belangrijk, maar uiteindelijk gaat het toch ook om elke boom afzonderlijk.

En de rol van “het beleid”?

Wat bij evaluaties zeker meegenomen moet worden: wat is de bijdrage van de diverse actoren? Van de club, de persoonlijke trainer, de bondscoach, de technische directie, de federatie, de overheid, het BOIC, … én hun onderlinge samenwerking. Hoe blijf je die verder uitwerken, zowel financieel als op andere vlakken? Want ik ben absoluut overtuigd dat bepaalde beleidskeuzes een concrete en een voelbare impact gehad hebben en ook nu hebben.

Ook het beleid moet aan reflectie en evoluatie doen. Waarom is topsport belangrijk? Wat en hoe continueren we? Waar sturen we bij? Wat voegen we toe? Het beleid bepaalt de overkoepelende visie en doelen, zowel procesmatig als op het vlak van resultaten. Het doet dat op basis van een realistische inschatting van het potentieel van federaties en atleten en creëert de mogelijkheden om die doelstellingen te bereiken. Als de doelstellingen van het beleid matchen met deze van atleten en federaties, dan kan je spreken van gezamenlijke doelstellingen.

In functie van die doelstellingen, moet het beleid ook keuzes maken.

Waar zie jij nog uitdagingen voor dat beleid?

We kennen in Vlaanderen een bepaalde historiek rond het maken van keuzes. Vroeger werkten we met categorieën van topsportfederaties, later met focussporten en nu met programma’s: ontwikkelings- en prestatieprogramma’s. De uitdagingen liggen volgens mij in het koppelen van ontwikkelings- aan prestatieprogramma’s, wat cruciaal is in functie van continuïteit. En in de vraag hoe je de federaties sterker maakt.

Ik ben ervan overtuigd dat een sterk programma cruciaal is, maar ook dat dat het beste binnen een federatie gebeurt. Indien een programma, en dat kan om uiteenlopende redenen zijn, beter los van een federatie gedijt, dan is dat zo. Maar de koppeling met een federatie geniet, waar mogelijk en positief, altijd de voorkeur.

Waarbij ik herhaal dat het altijd om mensen gaat. We mogen nooit het belang van kwalitatieve mensen onderschatten. Hoe trek je hen aan, hoe ontwikkel je hen, hoe zet je hen in, …? En dus bestaat een volgende uitdaging voor het beleid erin om “leiderschap” te creëren en te ondersteunen.

Ook de topsportwerking binnen een federatie kan je vanuit een holistische visie benaderen, namelijk als een element van de totale werking van een federatie. Volgens mij heeft topsport binnen een federatie het meest baat bij een onafhankelijke structuur, bijvoorbeeld een onafhankelijke topsportcel, mét een sterke link naar het totaalbeleid van de federatie. Die link is belangrijk en logisch. Ik begrijp perfect het precaire evenwicht binnen een federatie om pakweg meer dan 90% van je middelen te investeren in minder dan 10% van je leden. Dat is niet eenvoudig om te verantwoorden. Er kan snel een wij-zij-gevoel ontstaan. Communicatie, betrokkenheid en gezamenlijke doelstellingen zijn de sleutel. De uitdaging daarbij is dat de topsportcel, als onafhankelijke cel die op zichzelf kan werken en beslissen, een sterke link behoudt met de federatie in zijn geheel. Dat alle leden de topsportresultaten met plezier beleven. Dat er gezamenlijke doelstellingen zijn, in alle richtingen. Dat topsport iets bijbrengt aan breedtesport, aan sportbeleving, aan identiteit. En omgekeerd. Dat men elkaar versterkt. Dat topsport als een gezamenlijk project ervaren wordt, met een gedragen visie, gedragen investeringen. Als iets om, met z’n allen, trots op te zijn. En dat doelstellingen effectief samen bereikt worden. En dat van daaruit ook nieuwe ambities kunnen gecreëerd, en waargemaakt, worden. 

Om af te sluiten, niet de obligate vraag wat je nu zal doen tijdens je pensioen. Dat zullen we, als de tijd er rijp voor is, wel ontdekken. Of misschien “neem” je je welverdiende rust wel. Maar als laatste vraag: wat zal je altijd bijblijven? Is er een “mooiste moment”?

Een moment kiezen zou afbreuk doen aan het “geheel”. Het geheel is zo rijk. De reis, de aaneenschakeling van momenten. Ik ben een gelukkig man. Ik beschouw mijn carrière als een enorm voorrecht. Ik ben nooit tegen mijn zin gaan werken. Natuurlijk zijn er momenten geweest waarop ik gevloekt of geklaagd heb. Maar ook dergelijke momenten kom je door, als je maar voldoende passie hebt. Passie is immers de saus die alles overgiet. En die moeilijkere momenten maken het geheel en de terugblik op het geheel nog rijker. Ook op die momenten ben ik altijd blijven beseffen in welke bevoorrechte positie ik zat. Het was een privilege om zo’n prachtige job te mogen doen. Iedereen die met mensen werkt, zal dat geluk herkennen. Ik werkte met (veelal) jonge ambitieuze mensen. Én in een topsportcontext. Wat kan een mens meer wensen?

Heel erg bedankt Eddy, voor alles.

Auteur: 
Sophie Cools