Hoe zit het met de provincies en sport?

De Vlaamse regering heeft in haar Regeerakkoord 2014-2019 het voornemen geuit om de provincies af te slanken op vlak van sport: "De provincies oefenen niet langer persoonsgebonden bevoegdheden uit. De persoonsgebonden bevoegdheden die hen door sectorale decreten zijn toegewezen (decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid) worden geschrapt." Dit impliceert dat er sinds 1 januari 2018 geen provinciale sportdiensten meer bestaan en (sterker nog) dat de provincie zich in principe niet meer mag bezig houden met sport. De precieze implicaties moeten afgewacht worden (bijvoorbeeld: wat met subsidies voor bovenlokale sportevenementen? ...). De bevoegdheden en taken werden naar andere (lokale of Vlaamse) overheidsniveaus overgedragen. 

Meer informatie vind je via dit nieuwsbericht op de website van Sport Vlaanderen en in het VSF artikel "Provincies en sport: uit elkaar gaande wegen".

Hoe was het vroeger?

De provincies hadden tot en met 2013 een open taakstelling op vlak van sport, uitgewerkt door de provinciale sportdiensten. Dat betekent dat ze vrij waren in hetgeen ze wel en niet deden en financierden.
Sinds 2014 ziet de relatie tussen de Vlaamse overheid en de provincies er anders uit en zijn de bevoegdheden van de provinciale sportdiensten ingeperkt. Als gevolg van het proces 'interne staatshervorming' werd het provinciaal bestuursniveau in relatie tot het Vlaamse en gemeentelijke niveau grondig geëvalueerd. Dit resulteerde in een afbakening van de bevoegdheden van de provincies en een oplijsting van de thema's (Vlaamse beleidsprioriteiten) waarvoor de provincies nog gesubsidieerd kunnen worden door de Vlaamse overheid: enkel voor gehandicaptensport werd nog een decretale subsidie toegekend. Er werd een bestuursakkoord afgesloten tussen Vlaanderen en de provincies, waarbij volgende zes bevoegdheden nog mogen uitgeoefend worden: stimuleren van personen met een handicap tot sportbeoefening, stimuleren en ondersteunen van de regionale werking in de sportsector, ondersteunen of organiseren van bovenlokale sportevenementen, bouwen of subsidiëren van bovenlokale sportinfrastructuur, coördineren van de relatie tussen natuur, sport en recreatie en ruimtelijke ordening en beheren van unieke bovenlokale instellingen in de sport.

Deze evolutie had verregaande implicaties gehad voor de provinciale afdelingen van sportfederaties.
Vroeger werden veel sportfederaties gesubsidieerd vanuit twee bestuursniveaus: op Vlaams niveau via het decreet houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisaties en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding (decreet 13 juli 2001) en op provinciaal niveau (via de provinciale bovenlokale afdelingen) op basis van het decreet houdende de subsidiëring van gemeente- en provinciebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor het voeren van een Sport voor Allen-beleid (decreet 9 maart 2007). Deze duale manier van subsidiëring is gerationaliseerd. Het is niet meer de taak van de provinciebesturen om provinciale afdelingen van erkende sportfederaties te subsidiëren via het Sport voor Allen decreet. Subsidiëring van de federaties gebeurt vanaf nu louter op Vlaams niveau. De provinciale afdelingen ontvangen dus (rechtstreeks) geen subsidies meer.