Lokaal sportbeleid

Gemeentelijke en stedelijke sportdiensten

De gemeentelijke en stedelijke sportdiensten zijn de regisseurs van het lokaal sportbeleid. Zij ondersteunen de sportclubs in hun werking (financieel, inhoudelijk, promotioneel,...) en bieden complementair aan het bestaande aanbod eigen sportactiviteiten aan. Tussen 2008 en 2015 was de subsidiëring van de lokale sportdiensten decretaal geregeld, gekoppeld aan een aantal inhoudelijke en kwlaitatieve voorwaarden. Vanaf 2016 zijn er geen afzonderlijke subsidies meer voor lokale sportdiensten. Het budget dat tot voor 2016 voorzien werd voor de subsidiëring van sportdiensten, werd overgeheveld naar het globaal gemeentefonds. Een gemeente is bijgevolg vrij om te kiezen, hoeveel en op welk vlak ze investeert in het lokaal sportgebeuren.

Als sportfederatie is het belangrijk jouw clubs aan te sporen om op de hoogte te zijn van het lokaal sportbeleid, actief te participeren in de sportraad en een goed contact met de lokale sportdienst te onderhouden. De gemeenten en steden hebben vanaf 2016 geen verplichtingen meer op vlak van het subsidiëren en ondersteunen van sportclubs. Als sportfederatie en sportclub is het dan ook belangrijk lokaal de nodige contacten te hebben om de noodzakelijke en gewenste ondersteuning te blijven vragen.

Decreet lokaal sportbeleid

Ondanks het feit dat er vanuit de sportoverheid geen subsidies meer zijn voor lokale sportdiensten, blijft het decreet lokaal sportbeleid wel bestaan. Het biedt een (vrijblijvend) kader voor zowel de Vlaamse overheid als de lokale sportdiensten.

De sportdiensten hebben, op basis van het decreet lokaal sportbeleid, volgende vier beleidsprioriteiten:

  1. het ondersteunen van de kwalitatieve uitbouw van de sportverenigingen via een doelgericht subsidiebeleid

  2. het stimuleren van sportverenigingen tot professionalisering met een bijzonder accent op kwaliteitsvolle jeugdsportbegeleiding en eventueel tot onderlinge samenwerking

  3. het voeren van een activeringsbeleid met het oog op een levenslange sportparticipatie via een anders georganiseerd laagdrempelig beweeg- en sportaanbod

  4. het voeren van een beweeg- en sportbeleid met aandacht voor transversale samenwerking zodat kansengroepen gelijke kansen krijgen om actief te participeren in sport

Beleidsprioriteiten 1 en 2 zijn specifiek gericht op sportclubs. Beleidsprioriteit 2 focust op clubs die aangesloten zijn bij een erkende Vlaamse sportfederatie of OSV. Meer informatie over de beleidsprioriteiten.

Provinciale sportdiensten

De provincies hadden tot en met 2013 een open taakstelling op vlak van sport, uitgewerkt door de provinciale sportdiensten.
Sinds 2014 ziet de relatie tussen de Vlaamse overheid en de provincies er anders uit en zijn de bevoegdheden van de provinciale sportdiensten ingeperkt.
Als gevolg van het proces 'interne staatshervorming' werd het provinciaal bestuursniveau in relatie tot het Vlaamse en gemeentelijke niveau grondig geëvalueerd. Dit resulteerde in een afbakening van de bevoegdheden van de provincies en een oplijsting van de thema's (Vlaamse beleidsprioriteiten) waarvoor de provincies nog gesubsidieerd kunnen worden door de Vlaamse overheid: enkel voor gehandicaptensport werd nog een decretale subsidie toegekend. Er werd een bestuursakkoord afgesloten tussen Vlaanderen en de provincies, waarbij volgende zes bevoegdheden nog mogen uitgeoefend worden: stimuleren van personen met een handicap tot sportbeoefening, stimuleren en ondersteunen van de regionale werking in de sportsector, ondersteunen of organiseren van bovenlokale sportevenementen, bouwen of subsidiëren van bovenlokale sportinfrastructuur, coördineren van de relatie tussen natuur, sport en recreatie en ruimtelijke ordening en beheren van unieke bovenlokale instellingen in de sport.

Deze evolutie heeft verregaande implicaties gehad voor de provinciale afdelingen van sportfederaties.
Vroeger werden veel sportfederaties gesubsidieerd vanuit twee bestuursniveaus: op Vlaams niveau via het decreet houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisaties en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding (decreet 13 juli 2001) en op provinciaal niveau (via de provinciale bovenlokale afdelingen) op basis van het decreet houdende de subsidiëring van gemeente- en provinciebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor het voeren van een Sport voor Allen-beleid (decreet 9 maart 2007). Deze duale manier van subsidiëring is gerationaliseerd. Het is niet meer de taak van de provinciebesturen om provinciale afdelingen van erkende sportfederaties te subsidiëren via het Sport voor Allen decreet. Subsidiëring van de federaties gebeurt vanaf nu louter op Vlaams niveau. De provinciale afdelingen ontvangen dus (rechtstreeks) geen subsidies meer.

Ondertussen heeft de Vlaamse regering in haar Regeerakkoord  2014-2019 het voornemen geuit om de provincies verder af te slanken: "De provincies oefenen niet langer persoonsgebonden bevoegdheden uit. De persoonsgebonden bevoegdheden die hen door sectorale decreten zijn toegewezen (decreet van 6 juli 2012 houdende het stimuleren en subsidiëren van een lokaal sportbeleid) worden geschrapt." Dit impliceert dat er vanaf 1 januari 2018 geen provinciale sportdiensten meer zullen bestaan en (sterker nog) dat de provincie zich in principe niet meer mag bezig houden met sport. De precieze implicaties moeten afgewacht worden (bijvoorbeeld: wat men huldiging van atleten? wat met subsidies voor bovenlokale sportevenementen? ...). De bevoegdheden en taken zullen naar andere overheidsniveau’s overgedragen worden vanuit het principe van subsidiariteit: eerst zullen gemeenten, vervolgens regionale verbanden en tenslotte de Vlaamse overheid (Sport Vlaanderen) de kans geboden worden deze provinciale sportbeleidsaspecten over te nemen.  Ook de decretale subsidiëring van gehandicaptensport voor de provincies valt weg.

Wil je meer lezen? In het artikel "Provincies en sport: uit elkaar gaande wegen" vind je nog wat extra informatie.